|

A)
Erkenning van correspondenten
B)
Overeenkomst tussen Nationale Verzekeringsbureaus
Algemeen
Regelment
(Français-pdf/230Ko | English-pdf/199Ko)
Commentaar
op het Algemeen Regelment
(English-pdf/217Ko) Minimale dekking landen EU (English-pdf/246Ko)
C)
Lijst
van de leden van de Raad van de
Bureaus
D)
Europese Richtlijnen
- 72/166/EEG
Richtlijn van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge
aanpassing van de wetgeving der Lid-Staten betreffende de verzekering
tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het
verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op
de verplichting van de verzekering tegen deze aansprakelijkheid.
- 84/5/EEG
Tweede Richtlijn van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen der Lid-staten betreffende de verzekering
van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het
verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven.
- 90/232/EEG
Derde Richtlijn van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van
de wetgevingen van de Lid-staten betreffende de verzekering van de
wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer
van motorrijtuigen aanleiding kan geven.
- 2000/26/EEG
Vierde Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake
de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-staten betreffende
de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming
aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven.
- 2005/14/EG
Vijfde
richtlijn 2005/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11
mei 2005 houdende wijziging van de Richtlijnen 72/166/EEG, 88/357/EEG
en 90/232/EEG van de Raad en Richtlijn 200/26/EG van het Europees
Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke
aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen
aanleiding kan geven
- Richtlijn 2009/103/EG
van het Europees parlement en de raad van 16 september 2009, betreffende
de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming
aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle
op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid.
E)
Wetgeving
- Wet van
21 november
1989 betreffende de verplichte aansprake-lijkheidsverzekering
inzake motorrijtuigen : Artikel 2 - Hoofdstuk II - Verplichte verzekering
:
§2.
Niettemin worden motorrijtuigen die gewoonlijk in het buitenland zijn
gestald, ook tot het verkeer in België toegelaten, mits een Bureau,
daartoe erkend of opgericht op grond van de wet van 9 juli 1975 betreffende
de controle der verzekeringsondernemingen zelf tegenover de benadeelden
de verplichtingen op zich neemt de schade, door de motorrijtuigen
in België toegebracht, overeenkomstig de bepalingen van deze
wet te vergoeden.
Voor de toepassing van deze wet wordt dit Bureau met een verzekeraar
gelijkgesteld.
De Koning bepaalt welke voertuigen voor de uitvoering van deze wet
geacht worden gewoonlijk in het buitenland te zijn gestald. Het stelt
vast op welke wijze die voertuigen in België worden toegelaten
en kan overlegging van een internationaal verzekeringsbewijs eisen.
Indien van bestuurders van voertuigen die gewoonlijk zijn gestald
in door de Koning nader te noemen vreemde landen, niet wordt geëist
dat zij het internationaal verzekeringsbewijs bij zich hebben, blijft
de verplichting van het in het eerste lid genoemde Bureau bestaan,
zelfs als de verzekeringsplicht niet is nagekomen.
- K.B.
van 13 februari 1991 houdende de inwerkingtreding en uitvoering
van de wet van 21 november 1989
- Vrijgestelde voertuigen
F)
Rechtspraak
- Ongeval
overkomen in België - Belgisch Bureau optredende in de hoedanigheid
van regelend bureau.
- Tussenkomst
- a) Artikel
2, § 2 ("…elk nationaal bureau waarborgt de afwikkeling
van ongevallen die zich op zijn grondgebied hebben voorgedaan
en zijn veroorzaakt door deelneming aan het verkeer van al
dan niet verzekerde voertuigen die gewoonlijk op het grondgebied
van een andere Lid-Staat zijn gestald, overeenkomstig de eigen
nationale wetgeving betreffende de verplichte verzekering")
van de richtlijn 72/166 van de Europese Gemeenschappen moet
alzo worden geïnterpreteerd dat de eisen tot vergoeding
van schade veroorzaakt op het grondgebied van een lidstaat
van de EEG door een voertuig met gewoonlijke standplaats op
het grondgebied van een andere lidstaat, maar waarvan de bestuurder
zich meester heeft gemaakt door diefstal of geweld, moeten
worden behandeld door de nationale bureaus binnen de beperkingen
en voorwaarden vastgelegd door de eigen nationale wetgeving.
(Hof van Justitie, 21 juni 1984, RGAR. 1985, nr. 10.986
en opmerkingen van P.H. Delvaux; De Verzekering, 1984, blz.
701 en opmerkingen van J.R.; J.T. 1984, blz. 553)
- De uitdrukking
"overeenkomstig de eigen nationale wetgeving betreffende
de ver-plichte verzekering", besloten in artikel 2 §
2 van de richtlijn 72/166 van de Raad van 24 april 1972 moet
alzo worden begrepen dat zij verwijst naar de beperkingen
noorwaarden inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid toepasselijk
op de verplichte verzekering.
(Hof van Justitie, 9 februari 1984, RGAR. 1985, nr.
10.902)
- c) Krachtens
het artikel 1, laatste lid van de wet van 1 juli 1956, moet
het bureau belast met de regeling van schade veroorzaakt in
België door motorrijtuigen met gewoonlijke standplaats
in het buitenland, worden beschouwd als een verzekeraar. De
waarborg die het moet verlenen is dezelfde als deze aangeboden
door de andere verzekeraars beöogd door de wet.
De wet van 4 juli 1972, in uitvoering van de richtlijn van
24 april 1972, heeft de vergoedingsplicht van het bureau uitgebreid
tot niet-verzekerde voertuigen, maar in geen geval tot gestolen
voertuigen, dewelke evenzeer van de dekking zijn
uitgesloten krachtens artikel 3 van de wet van 1 juli 1956.
(Gent, 13 juni 1988, RGAR., 1990, nr 11.613; Verkeersrecht,
nr 89/3)
- Wanneer
een ongeval in België wordt veroorzaakt door een gestolen
voertuig met gewoonlijke standplaats op het grondgebied van
een andere lid-staat van de Europese Unie, is het Belgisch
Bureau van de Autoverzekeraars niet meer dan een ander verzekeraar
verplicht tot het vergoeden van de schade.
(Cass. 31 oktober 1997, Larcier, Cass., 1998, blz.
38, nr 196, J.T., 1998, blz. 233; J.L.M.B., 1998, blz. 1816,
Verkeersrecht, nr 98/66)
- Identificatie
van het buitenlands motorrijtuig
- Wanneer
een schade in België is veroorzaakt door een motorrijtuig
met gewoonlijke standplaats in een andere lid-staat, doch
dat niet werd geïdentificeerd, is het Belgisch Bureau
niet verplicht tot vergoeding van de door de benadeelden geleden
schade.(Cass. 13 september 1991, Pas. 1992, I, 36,
R.W. 1991-92, blz. 612; J.T., 1992, blz. 155; Verkeersrecht,
nr 92/98, De verzekering, 1992, blz. 473)
- Indien
de tussenkomst van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds
slechts vereist is omdat de inrichter van een rallye niet
de moeite heeft gedaan bij de inschrijving en erkenning van
een deelnemer, om na te gaan of het voertuig daarvan gekentekend
was of minstens verzekerd, en evenmin dat de nummerplaat zou
worden aangeduid of minstens de gegevens van het verzekeringscontract,
is de eis tot tussenkomst en vrijwaring van dit Fonds tegen
de inrichter gegrond.
Bij gebreke aan kenteken van het betrokken motorrijtuig, wordt
er niet aangetoond dat het gewoonlijke standplaats had in
het buitenland.
(Vredegerecht zinnik, 3 februari 1998, De verzekering.,
1998, blz. 364)
- Het artikel
2 van dit besluit preciseert dat deze voertuigen tot het verkeer
in België toegelaten worden indien ze voorzien zijn van
een internationaal verzekeringsbewijs (groene kaart).
Voertuigen
echter die gewoonlijk zijn gestald op het grondgebied van
bepaalde landen (in hoofdzaak landen van de Europese economische
ruimte) opgesomd in de alinea 2 van het artikel 2, worden
zonder internationaal verzekeringsbewijs tot het verkeer
in België toegelaten. In dat geval blijft de ten laste
van het Belgisch bureau gelegde verplichting bestaan, zelfs
als de verekeringsplicht niet is nagekomen (wet van 21 november,
art. 2, § 2, al. 4).
Tenslotte specificeert het artikel 4, alinea 2 dat de voertuigen,
bedoeld in artikel 2, alinea 2, tot het verkeer op de Belgische
openbare wegen worden toegelaten indien zij de kentekenplaat
dragen afgegeven in het land van herkomst.
Volgens welke voorwaarden kan het Belgisch bureau bij de
afwikkeling van de in België veroorzaakte schade betrokken
worden, indien deze schade voortspruit uit de deelneming
aan het verkeer van een voertuig bedoeld in het artikel
2, alinea 2 van het K. B. van 13 februari 1991?
Uit
de hierboven vermelde teksten volgt dat het betrekken van
het Belgisch bureau bij de afwikkeling van een schadegeval
onderworpen is aan de voorafgaande voorwaarde van identificatie
van het geïncrimineerde voertuig (Cass., 13 september
1991, De Verz. nr. 300, p. 473). Deze identificatie moet,
in concreto, toelaten na te gaan of het bewuste voertuig
op het ogenblik van het ongevalgebeuren voorzien was van
een kentekenplaat afgegeven in het land van herkomst, wat
toelaat na te gaan of het voertuig al dan niet gewoonlijk
gestald is in een van de landen opgesomd in het artikel
2, alinea 2 (Beroep Brussel, 19 mei 1999, De Verz, nr. 333,
p. 665). Deze voorwaarde van identificatie is des te meer
gerechtvaardigd daar het Hof van Cassatie in het hierboven
vermeld arrest (Cass. 3de kamer, 1 maart 2004, onuitgegeven)
beschouwt dat “Zoals door het Hof van Justitie van
de Europese Gemeenschappen is vastgesteld in zijn arresten
van 21 juni 1984 en 6 oktober 1987, berust het stelsel,
door de richtlijn van 24 april 1972) ingevoerd, op een overeenkomst
gesloten tussen de nationale bureaus krachtens welke het
bureau van afwikkeling tegen het bureau van het land waar
het schadeverwekkend voertuig gestald is, over een regresvordering
beschikt, wat inhoudt dat het voertuig geïdentificeerd
is”.Volgens dit arrest kan een voertuig slechts als
geïdentificeerd beschouwd worden indien de persoon
op wiens naam het voertuig ingeschreven is gekend is of
indien de verzekeringstoestand van het voertuig kan vastgesteld
worden.
Anderzijds
is het belangrijk op te merken dat het begrip van “gewoonlijk
in het buitenland te zijn gestald”, vermeld in het
art. 1 van het K. B. van 13 februari 1991, impliceert dat
het bewuste voertuig tijdelijk ingevoerd zou worden in België.
Hieruit volgt dat indien er in België een schadegeval
veroorzaakt wordt door een in België aangekocht voertuig,
dat op bedrieglijke wijze voorzien werd van een valse kentekenplaat,
dit motorrijtuig niet kan worden geacht gewoonlijk te zijn
gestald in het buitenland noch dat dit de ten laste van
het Belgisch bureau van de autoverzekeraars gelegde verplichting
tot waarborg met zich meebrengt (Cass., 15 februari 1989,
Pas., 1989, I, 618; Politierechtank Luik , 27 november 2000,
onuitgegeven).
Hieruit
moet worden afgeleid dat het bij de zaak betrekken van het
Belgisch bureau afhankelijk is van de vaststelling van het
feit dat het bij het ongeval betrokken voertuig tijdelijk
ingevoerd werd in België terwijl het bij de overschrijding
van de grens een kentekenplaat droeg (zelfs vals –
zie arrest van 12 november 1992 van het HJEG) overeenkomend
met de kentekenplaten afgegeven in de landen opgesomd in
artikel 2, alinea 2 van het K. B. van 13 februari 1991.
- Ongeval
overkomen in het buitenland - het Belgisch Bureau handelend in de
hoedanigheid van betalend bureau
Krachtens
de akkoorden tussen de Bureaus waarborgt het Bureau de integrale terugbetaling
van de vergoedingen betaald door een regelend Bureau alsook de betaling
van onkosten en erelonen.
- Verhouding
tussen Belgisch Bureau en de benadeelde
Vermits
het ongeval zich in Nederland heeft voorgedaan, is te eis tot schadevergoeding
tegen de VZW Belgisch Bureau van de Autoverzekeraars onontvankelijk.
(Pol. Brussel, 27 april 1999, De verzekering 1999, blz. 658
en nota J. Muyldermans)
- Verhouding
tussen het Bureau en de leden
De
verzekeringsonderneming die de statuten van het Belgisch Bureau
heeft onderschreven, heeft er zich toe verbonden de waarborg na
te leven verschaft door het internationaal verzekeringsbewijs of
ieder ander bewijsmiddel gelijkgesteld aan zodanig bewijs door de
tussen bureaus afgesloten overeenkomsten, ten aanzien van andere
bureaus en ondanks ieder beding of beperking voorzien in de polis.
Op die wijze verplicht ieder lid er zich toe het regelend bureau
terug te betalen voor de uitgaven die werden gedaan ten voordele
van de benadeelde derden op voorwaarde dat die uitgaven overeenkomstig
de er op toepasselijke wet werden gedaan, zoals te dezen het geval
is.
(Scheidsgerecht, 14 mei 1990, R.G.A.R. 1991, nr 11.792 met
opmerkingen; De verzekering, 1991, blz. 129 en opmerkingen J.R.)
G)
Andere
1. SCHADE
EN SCHADELOOSSTELLING : uit Kluwer, VKJ-DCJ, november/novembre 2001
(PDF
bestand - 2 bladzijden / 272 Ko)
H)
Diversen
1. 3DE EUROPESE
DAG VAN DE WETGEVING OP HET WEGVERKEER (TREVES
III)
(PDF Bestand - 8 bladzijden/40 Ko)
2.
4DE EUROPESE DAG VAN DE WETGEVING OP HET WEGVERKEER (TREVES
IV + ANNEXE-AU3101)
(PDF Bestand - 11 & 10 bladzijden/55 & 484 Ko)
TERUG |